DutchEnglish

De Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van Troost in Vilvoorde

De Troostkerk, verheven tot basiliek op 7 mei 2006, is een bedevaartplaats. De hele dag door is er kans om in stilte en rust even te verpozen bij Onze-Lieve-Vrouw van Troost, te bidden, intenties neer te schrijven; om vertrouwvol weer weg te gaan.

Algemeen

De titel van basiliek, ‘basilica minor’ wordt door de paus toegekend aan een kerk of kapel die van bovenlokaal belang is voor de gelovigen. Meestal gaat het om een bedevaartsplaats en om een gebouw dat historisch belangrijk is of een bijzondere architectuur heeft. De uiterlijke tekens die worden aangebracht als een kerk basiliek wordt, zijn een conopeum en een tintinnabulum: het eerste ziet eruit als een half dichtgeslagen zonnescherm of paraplu met gele en rode stroken van zijde; het tweede is een klokje met een inscriptie. In een basiliek moet regelmatig de eucharistie gevierd worden, er moet biechtgelegenheid zijn en de liturgie dient bijzonder verzorgd te worden.

De Troostkerk

Op vraag van de zusters richtte het aartsbisdom in juni 2005 een verzoek aan de Congregatie van de goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten in Rome. Op 1 maart 2006 ontving kardinaal Danneels van zijne heiligheid Paus Benedictus XVI bij monde van kardinaal Francesco Arinze, prefect van de congregatie, de toestemming om de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Troost te verheffen tot basiliek. De plechtigheid, voorgegaan door kardinaal Godfried Danneels, zal plaatsvinden op zondag 7 mei om 10.00 u.

Voor die gelegenheid worden het conopeum en het tintinnabulum aangebracht. De inscriptie op het klokje is Tot meerdere eer van God en ter ere van Maria van Troost werd deze bedevaartskerk tot basiliek verheven – 7 mei 2006.

De kerk krijgt deze titel o.a. omdat zij hoort bij de oudste nog bestaande karmelgemeenschap ter wereld. Niet als gebouw is het de oudste Karmel, maar als communiteit waar ononderbroken zusters aanwezig waren en zijn. De zalige Johannes Soreth, in de 15de eeuw generale overste van de (Orde van Onze Lieve Vrouw van de berg) Karmel, richtte de eerste drie vrouwelijke karmelkloosters op. Eén van deze gemeenschappen vestigde zich volgens de bewaarde stichtingsakte op 13 september 1469 te Vilvoorde. Aanvankelijk kregen de zusters onderdak in het begijnhof van Vilvoorde dat buiten de stad tegen het dorpje Peutie lag. Er staat nog altijd een kapelletje aan de Leuvensesteenweg als herinnering aan dit begijnhof. Uit angst voor de Spanjaarden werden alle gebouwen buiten de stad platgebrand en verhuisden de zusters naar het hart van de stad (1578). De kerk zelf werd in 1663 gebouwd en in 1667 ingewijd. Ze heeft de typische ronde koepel van de toenmalige bedevaartskerken zoals de basilieken van Scherpenheuvel en Hanswijk.

Een plaats voor zoekers

‘De Troost’ heeft een uitstraling tot ver in de omgeving, en ook dat is een doorslaggevende reden tot de verheffing van de kerk tot basiliek. Als bedevaartsplaats is het kerkje geliefd door jong en oud omdat het een oase van stilte is in de drukke winkelstraat van Vilvoorde. Al eeuwenlang worden de gebedsintenties door de zusters ter harte genomen en vindt ieder die er nood aan heeft een luisterend oor. Tussen zes ’s morgens en half zes ’s avonds is de kerk toegankelijk voor het publiek. De spirituele en culturele activiteiten die door leken georganiseerd worden terwijl de zusters binnen de muren van het klooster een leven van gebed leiden, worden ondanks het feit dat geloven in onze maatschappij niet meer evident is, druk bijgewoond. De eucharistie, op weekdagen om 8.00 u. en op zondagen om 8.30 u., heeft een eigen karakter. De priester die al jaren verbonden is met de Troostkerk is E.H. Ludo Vercammen, bijgestaan door diaken Jan Goyvaerts.

Het hele bedevaartsgebeuren centreert zich rond het beeldje van Onze-Lieve-vrouw van Troost, een polychrome houten sedes sapientiæ. (Een gekroonde en zittende Maria met op haar schoot het Kind dat een wereldbol vasthoudt). Het werd volgens de overlevering door de heilige Elisabeth van Hongarije aan haar dochter geschonken. Deze dochter, Sofie van Thuringen, echtgenote van hertog Hendrik II van Brabant, gaf het beeld aan de begijnen bij haar vertrek in 1247.